Waled moest in dezelfde periode nog inburgeringsexamens doen. Dat kostte hem veel tijd en energie. Ook tijdens zijn diensten was hij niet altijd met zijn hoofd bij het werk. Er ging wel eens iets mis. Voor zijn collega’s in de keuken was dat lastig. Zij vroegen zich af: gaat dit wel werken?
Ook voor Waled was de start intensief. Er kwamen veel nieuwe woorden, gerechten en werkwijzen op hem af. In een keuken ligt het tempo hoog en moet je snel kunnen schakelen. Tegelijkertijd was hij nog bezig om de taal én de werkwijze van zijn nieuwe werkplek onder de knie te krijgen.
Toch kreeg hij de ruimte om te leren. Zo maakte hij foto's van gerechten om te onthouden hoe ze moesten worden opgemaakt. Jeroen en Heleen bleven met hem in gesprek en gaven hem de kans om beter te worden. Waled: “Dat gaf mij een rustig gevoel. Ze zagen de foutjes die ik maakte. Maar ze zeiden: kom op, we gaan door. Ze vertrouwden mij en gaven me tijd.”
Dat vertrouwen bleek belangrijk. Na zijn examens veranderde er veel. De druk viel weg en Waled kon zich volledig op zijn werk richten. Ook collega’s zagen dat hij toen snel vooruit ging. Halverwege het seizoen wist hij precies wat er van hem werd verwacht. Sindsdien draait hij zelfstandig zijn deel van de keuken.
De eerste periode vroeg dus extra aandacht. Maar juist doordat die ruimte er was, kwam er steeds meer rust en vertrouwen.
Taalbarrière? Maak er een gezamenlijke uitdaging van
Ook de taal was in het begin een aandachtspunt. Waled sprak goed Engels, maar zijn Nederlands was nog volop in ontwikkeling. Tegelijkertijd waren er collega's in de keuken die zelf geen Engels spraken. Dat maakte het soms lastig om elkaar snel te begrijpen, zeker op drukke momenten.
Toch werd taal geen reden om de samenwerking moeilijker te maken. In de keuken werd steeds vaker Engels gesproken en collega's hielpen elkaar om elkaar beter te begrijpen. Waled leerde steeds meer Nederlands en collega's pikten op hun beurt Engelse, en zelfs Arabische woorden van hem op.
Zo werd de taalbarrière niet alleen iets waar Waled mee moest leren omgaan. Het werd iets waar het hele team een weg in vond.
Volgens Heleen begint dat bij de houding van de werkgever: “In het begin moeten wij dan enthousiast zijn. En dat zijn wij. Gewoon oprecht enthousiast. En dan neemt de rest dat over.” Dat enthousiasme zit volgens haar niet in een uitgebreid programma of een ingewikkelde aanpak. Het zit juist in de dagelijkse dingen: samen grapjes maken, elkaar helpen en nieuwsgierig zijn naar elkaars achtergrond. Heleen: “Door die houding ontstaat ruimte om van elkaar te leren. En wordt taal steeds minder een drempel en steeds meer iets waar je samen je weg in vindt.
Erbij horen zit in kleine dingen
Voor De Tippe is onderdeel worden van het team dan ook niet iets wat je met een introductie op de eerste werkdag regelt. Het zit vooral in de momenten daarna.
Heleen noemt een eenvoudig voorbeeld. Als het team na het werk buiten zit, schuiven collega's op zodra Waled eraan komt. Er wordt letterlijk ruimte voor hem gemaakt.
Voor Heleen zegt dat veel. “Hij hoort er gewoon bij. Hij is one of the team.”
Juist zulke kleine momenten maken volgens haar het verschil. Zeker wanneer iemand terechtkomt in een omgeving waarin veel Nederlands wordt gesproken en collega's snel met elkaar communiceren.
Daarom vindt Heleen het ook belangrijk dat niet alleen de nieuwe collega zich aanpast. Ook bestaande collega's moeten begrijpen wat bijvoorbeeld een taalbarrière betekent. Zij zien dat iemand moeite heeft met de taal, maar realiseren zich niet altijd hoeveel extra inspanning het kost om een gesprek te volgen, instructies te begrijpen of snel te reageren.
Heleen: “Hij komt in óns team. Dan is het logisch dat wij ook een stap naar hem zetten. Waled moet zich aanpassen aan een heel team. Wij hoeven ons maar aan één persoon aan te passen.”
Wees open-minded
Advies voor andere werkgevers? Jeroen is daar duidelijk over: wie een collega aanneemt die nog moet wennen aan de Nederlandse taal of werkcultuur, moet bereid zijn om extra tijd en energie te investeren. Jeroen: “En je moet open minded zijn. En je ervan bewust zijn dat je tegen een barrière en een drempel aan gaat lopen in het begin.”
Een werkgever hoeft dus niet te verwachten dat alles direct soepel verloopt. De vraag is vooral: wil iemand leren, wil iemand ervoor gaan en lukt het om elkaar ergens te vinden?
Tegelijkertijd blijft Jeroen nuchter. Soms blijkt een samenwerking uiteindelijk toch niet te werken. Ook dan moet je afscheid kunnen nemen. Niet iedere kandidaat past bij ieder team.
De les is volgens hem daarom niet dat iedere samenwerking moet slagen. De les is dat je iemand wel een eerlijke kans moet geven.
Kijk verder dan dag één
Het verhaal van De Tippe laat zien dat werken met een nieuwe collega die de Nederlandse taal nog niet volledig spreekt, niet draait om het wegpoetsen van alle verschillen.
Taal, inburgering, werkervaring en verschillen in werkcultuur kunnen in het begin extra aandacht vragen. Dat hoort bij de start. De belangrijkere vraag is of werkgever en werknemer bereid zijn om samen door die eerste periode heen te gaan.
Voor werkgevers zit daar een concrete les in: kijk niet alleen naar wat iemand op dag één al kan. Kijk ook naar motivatie, de persoonlijke klik en de plek die iemand in het team kan innemen.
Geef iemand de vrijheid om te leren en betrek collega’s bij die ontwikkeling. Wees duidelijk over wat je verwacht en vraag wat iemand nodig heeft om het werk goed te kunnen doen. Gebruik waar nodig een tussenpersoon zoals Lisan, die beide kanten kent.
Want een goede match hoeft niet op de eerste werkdag perfect te zijn. Bij De Tippe werd die match juist sterker doordat Jeroen, Heleen, Waled en zijn collega's elkaar de tijd en vertrouwen gaven om eraan te wennen, van elkaar te leren en samen verder te gaan.
En soms begint een goede samenwerking simpelweg met de vraag: zullen we het proberen?